Stel u eens voor dat een arts u iets vertelt wat vandaag de dag nog sciencefiction lijkt. Er bestaat een veilige behandeling zonder bijwerkingen, risico’s, pijn en geen kosten. Deze behandeling geeft uw toekomstige kind tien, twintig, misschien wel dertig IQ-punten extra. Wat doet u? Veel mensen beantwoorden deze vraag te snel met ‘neen’. Het voelt tenslotte ongemakkelijk, riekt naar eugenetica, intelligentie is geen product en kinderen zijn geen ‘project by design’. Allemaal valide, begrijpelijke antwoorden. Maar het echte antwoord ligt ingewikkelder. Wat als de arts de vraag anders formuleert? Niet of u een slimmer kind wilt, maar of u uw kind meer mogelijkheden wilt geven? Dan verandert er iets. Plotseling gaat het niet langer over intelligentie, maar over kansen, vrijheid en mogelijkheden. En daar wordt het ongemakkelijk.
De liefdevolle verleiding
De meeste ouders willen hun kinderen niet beter maken dan andere kinderen. Zij willen vooral voorkomen dat hun kind kansen mist. Dat is iets anders. Wij geven muziekles, sporttraining, bijles, vakanties, boeken, kortom tal van ervaringen. Niet omdat het kind tekortschiet, maar omdat we hopen dat het kind kan worden wie het kan zijn. Waarom voelt een extra uur pianoles acceptabel, maar een hogere intelligentie ineens verdacht?
Een ongemakkelijke voorspelling
Ik vermoed dat veel ouders die principieel tegen intelligentieverhoging zeggen te zijn, in werkelijkheid voor hun eigen kind anders zouden kiezen. Niet uit ijdelheid of ambitie, maar uit liefde. Omdat niemand bewust minder mogelijkheden voor zijn kind kiest als een veilig alternatief beschikbaar is. En precies daar begint het echte gesprek. Hoeveel intelligentie is genoeg? Stel dat u zou mogen kiezen. Een IQ van 110? 120? 130? 145+? Waarom eigenlijk? Wanneer slaat een voordeel om in iets anders? En nog belangrijker: waarom vinden we een kind met een IQ van 130 aantrekkelijker dan een kind met een IQ van 100, maar wordt een IQ van 145+ voor veel mensen ineens ongemakkelijk?
Kennelijk gaat deze discussie niet alleen over intelligentie, maar over ons mensbeeld. Want wat kiezen we eigenlijk als we denken dat niemand kijkt? Meer intelligentie? Meer creativiteit? Meer discipline? Meer veerkracht? Meer empathie? Meer geluk? En waarom precies die eigenschap? Misschien overschatten we intelligentie. Niet omdat intelligentie onbelangrijk zou zijn, maar omdat we intelligentie vaak verwarren met geluk, betekenis, succes en een goed leven. Terwijl de geschiedenis vol staat met uitzonderlijk intelligente mensen die vastliepen. En met heel gewone mensen die een buitengewoon waardevol leven hebben geleid.
Misschien is dat uiteindelijk de reden dat de vraag uit het begin mij fascineert. Niet omdat zij iets zegt over intelligentie, maar omdat zij iets zegt over ons. Over wat wij belangrijk vinden. Over waar wij op hopen voor onze kinderen. Want stel dat die arts morgen terugkomt en zegt: Ik kan uw kind niet intelligenter maken maar wel nieuwsgieriger, moediger, veerkrachtiger, creatiever, behulpzamer of gelukkiger. Opvallend genoeg wordt het antwoord dan ineens minder vanzelfsprekend. Wat kiest u dan? En misschien is dát uiteindelijk de interessantste vraag van allemaal.
De omgekeerde vraag
Maar er is nog een ongemakkelijkere vraag. Stel dat diezelfde arts morgen terugkomt. Niet met de mogelijkheid om uw kind slimmer te maken, maar om uw kind iets minder intelligent te maken. Geen enorme verandering. Misschien tien of vijftien IQ-punten lager. In ruil daarvoor krijgt uw kind minder kans op angststoornissen, minder piekeren, minder perfectionisme, minder overprikkeling, meer sociale soepelheid, meer tevredenheid en meer geluk.
Wat kiest u dan?
Veel ouders van hoogbegaafde kinderen hebben van dichtbij gezien dat intelligentie niet uitsluitend een zegen is. Zij kennen de slapeloze nachten, de existentiële vragen, het vastlopen op school, het voortdurende denken, het gevoel nergens echt thuis te horen. Zou u dan nog steeds kiezen voor maximale intelligentie? Of kiest u voor een kind dat iets minder slim is, maar misschien gemakkelijker door het leven gaat? En als u begint te twijfelen, dan gebeurt er iets interessants. Dan blijkt intelligentie misschien toch niet de eigenschap te zijn die wij het belangrijkst vinden. Dan blijkt dat wij uiteindelijk hopen op iets anders. Niet op het slimste kind, maar op een kind dat tot bloei komt.
De echte test
Misschien is dat uiteindelijk de reden waarom ik deze gedachteoefening zo interessant vind. Stel dat wij onze kinderen werkelijk slimmer zouden kunnen maken. Dan nog blijven dezelfde vragen bestaan. Waar ben je nieuwsgierig naar? Wat ga je onderzoeken? Wat ga je bouwen? Welke verantwoordelijkheid neem je? Welke bijdrage wil je leveren? Want zelfs een IQ van 145+ beantwoordt geen van die vragen.
Misschien is dát de paradox
Wij praten vaak alsof intelligentie de hoofdprijs is. Maar misschien is intelligentie vooral een gereedschap. Een krachtig gereedschap, soms zelfs een uitzonderlijk gereedschap. Maar uiteindelijk blijft het een gereedschap. En gereedschap wordt pas interessant wanneer iemand besluit er iets mee te maken.
Dat brengt mij terug bij de oorspronkelijke vraag. Stel dat het kan. Zou u uw kind slimmer maken? Ik weet het antwoord niet. Maar ik vermoed dat het minder belangrijk is dan de vraag die daarna komt: wat hoopt u dat uw kind met die extra mogelijkheden gaat doen?
Harry Veenendaal | eindbaas Mandeville Academy

Ik vind het een prachtige vraag: meer IQ of minder IQ?
Maar eerlijk gezegd: ik zie het me geen van beide doen.
Mijn kind is mijn kind, met al zijn eigenschappen. Als ik het IQ hoger of lager zou maken, verander ik iets aan “het” kind.
Dan is het niet meer hét kind dat ik ken.
Ik heb een geweldige connectie met mijn twee zonen. We hebben onze eigen humor, onze eigen manier van kijken naar de wereld, onze eigen gesprekken… Natuurlijk botst het soms ook en hebben we onze problemen. Maar het zijn mijn kinderen.
En ik zou ze niet dommer of slimmer willen maken, want of ik kan de humor niet meer volgen of zij mij niet meer.
En dan die héél ongemakkelijke vraag:
Wat wensen wij onze kinderen eigenlijk toe?
Voor mij is het antwoord eigenlijk heel simpel: gelukkig zijn.
Maar gelukkig zijn betekent voor mij niet dat je geen hindernissen of obstakels op je pad tegenkomt. Het betekent ook niet dat je nooit angstig, verdrietig, gefrustreerd of onzeker mag zijn.
Het betekent voor mij vooral dat je de mogelijkheden krijgt om met die obstakels om te gaan. Dat je omgeving je begrijpt, dat je jezelf mag zijn, dat je voldoende uitdaging krijgt en dat je mensen om je heen hebt bij wie je terechtkunt.
Maar de vraag hoe we daar komen, is een stuk moeilijker.
Ben je gelukkiger als je minder IQ hebt?
Ik zou hier heel graag simpelweg ja op antwoorden. Maar zo simpel is het volgens mij niet.
Laat me de vraag anders stellen:
Stel dat iedereen morgen hoogbegaafd zou zijn en een IQ van 130 zou hebben. Ik weet het: statistisch gezien zou 130 dan opnieuw 100 worden (het gemiddelde worden).
Maar stel dat we iedereen even intelligent zouden maken.
Zouden onze kinderen dan gelukkiger zijn?
Ik ben er eigenlijk van overtuigd dat het antwoord ja zou kunnen zijn.
Niet omdat een hoger IQ automatisch gelukkiger maakt, maar omdat er dan veel meer aansluiting zou zijn. Meer herkenning. Meer voeling. Mensen zouden elkaar misschien gemakkelijker begrijpen.
En misschien zouden de lessen dan moeilijker worden. De verwachtingen hoger. De doelstellingen ambitieuzer. Wat vandaag uitzonderlijk lijkt, zou morgen gewoon het nieuwe gemiddelde zijn.
En precies daar zit volgens mij het antwoord:
Misschien is het probleem niet dat sommige kinderen te slim zijn.
Misschien is het probleem dat onze omgeving niet altijd is aangepast aan de enorme verschillen tussen mensen.
Hoe verder iemand afwijkt van wat als normaal wordt beschouwd, hoe moeilijker het blijkbaar wordt om aansluiting te vinden. Normalis is Latijn voor wat volgens de regel of norm is. En alles wat daarbuiten valt, wordt al snel als afwijkend gezien.
Als ik mag kiezen, zou ik mijn kinderen dan ook liever hun volledige mogelijkheden laten behouden en proberen de wereld rondom hen een beetje beter passend te maken, dan hun mogelijkheden kleiner te maken zodat ze gemakkelijker in die wereld passen.
Ik heb soms de de indruk dat onze huidige maatschappij minder tolerant is geworden voor mensen die buiten de norm vallen.
Soms lijkt het alsof we meer dan ooit over diversiteit en tolerantie praten, maar tegelijk sneller labels plakken en meer druk voelen om ons aan te passen aan wat als ‘normaal’ wordt beschouwd.