De winst van herkenning
De afgelopen twintig jaar heeft Nederland grote stappen gezet in het herkennen van hoogbegaafdheid. Dat is winst. Veel ouders hebben jarenlang moeten uitleggen dat hun kind niet lui was, niet ongemotiveerd, niet lastig of niet ongeïnteresseerd. Voor veel gezinnen was de vaststelling van hoogbegaafdheid een opluchting. Eindelijk viel er iets op zijn plaats. Een verklaring voor ervaringen die jarenlang niet goed waren begrepen.
Geen misverstand: die erkenning is waardevol. Maar juist omdat die erkenning zo belangrijk is, moeten we ook eerlijk zijn over de schaduwzijde. Iedere verklaring heeft namelijk de neiging groter te worden dan waarvoor zij oorspronkelijk bedoeld was. Dat noemen wij de verklaringsmonocultuur: een situatie waarin steeds meer gebeurtenissen vanuit dezelfde verklaring worden bekeken.
Stel, een kind krijgt de kwalificatie hoogbegaafd. Maar school gaat niet goed omdat te weinig uitdaging wordt geboden. Er komt begeleiding. Een coach. Misschien nog een coach. Een plusklas. Een aangepast programma. Nog meer gesprekken. Nog meer uitleg. Nog meer aandacht voor hoogbegaafdheid. En toch gaat het vaak niet beter. Soms zelfs slechter. Dat betekent niet dat herkenning verkeerd is. Wel dat herkenning alleen onvoldoende is. Ook betekent het niet dat scholen geen verantwoordelijkheid dragen. Natuurlijk zijn er leerlingen die jarenlang onvoldoende uitdaging hebben gekregen of die door het systeem zijn vastgelopen. Natuurlijk bestaan er scholen waar hoogbegaafdheid nog steeds wordt verward met braaf hoge cijfers halen. Het zou onrechtvaardig zijn dat te ontkennen. Maar zelfs wanneer dat allemaal waar is, blijft er een tweede vraag bestaan: hoe bouwen we vanaf hier verder?
De verklaringsmonocultuur
Rond hoogbegaafdheid is in de loop der jaren een complete infrastructuur ontstaan. Scholen, begeleiders, coaches, trainingen, expertisecentra, oudergroepen en belangenorganisaties. Dat is begrijpelijk. Waar een vraag ontstaat, ontstaat ondersteuning. Maar soms vraag ik mij af of we niet te veel tijd besteden aan het begrijpen waarom een jongere is vastgelopen en te weinig aan de vraag waar die jongere eigenlijk naartoe wil. Dat klinkt misschien hard. Toch zie ik het regelmatig.
Een jongere kan feilloos uitleggen waarom school niet werkte. Welke testresultaten er zijn. Welke diagnoses zijn gesteld. Welke onderwijsaanpassingen zijn geprobeerd. Welke instanties betrokken zijn geweest. Maar wanneer je vraagt waar de jongere nieuwsgierig naar is, of zou willen maken, of welke probleem opgelost moet worden, of waarmee ze morgen zouden beginnen als niemand hen tegenhield, blijft het stil. Niet omdat die jongere niets kan. Integendeel. Maar omdat hij jarenlang heeft geleerd zichzelf te begrijpen vanuit verklaringen (lees: diagnoses/labels) en veel minder vanuit mogelijkheden. Dat noemen wij de verklaringsmonocultuur.
Ik ben hoogbegaafd vs Ik heb uitzonderlijk potentieel
Misschien zit het belangrijkste verschil tussen twee zinnen: Ik ben hoogbegaafd en ik heb uitzonderlijk potentieel. Op het eerste gezicht is het verschil klein. In werkelijkheid is het fundamenteel. Wanneer iemand zegt: Ik ben hoogbegaafd, wordt hoogbegaafdheid onderdeel van de identiteit. Het wordt een beschrijving van wie iemand is. Wanneer iemand zegt: Ik heb uitzonderlijk potentieel, wordt de aandacht verlegd naar iets anders. Naar mogelijkheden en ontwikkeling. Naar verantwoordelijkheid. Naar de toekomst. Het eerste kijkt naar een eigenschap. Het tweede naar een opdracht.
Het probleem van identiteiten is dat zij verwachtingen scheppen. Wie zichzelf vooral ziet als hoogbegaafd, kan ongemerkt gaan geloven dat moeilijke dingen eigenlijk niet moeilijk zouden mogen zijn. Dat falen niet in het verhaal past. Dat school vanzelf zou moeten gaan. Dat succes logisch zou moeten volgen. Maar het leven werkt zo niet. Intelligentie geeft geen richting. Geen karakter. Geen discipline. Geen betekenis. Geen doel. Talent is geen bestemming, talent is een vertrekpunt.
Nieuwsgierigheid komt vóór motivatie
Misschien verklaart dat ook waarom sommige hoogbegaafde jongeren uiteindelijk thuis komen te zitten. Niet omdat zij onvoldoende intelligent zijn. Maar omdat het gesprek steeds opnieuw teruggaat naar dezelfde vraag: waarom ben ik vastgelopen? Dat is een belangrijke vraag. Maar alleen achterom kijken brengt niemand vooruit. Op enig moment moet een tweede vraag worden gesteld: waar ben ik nieuwsgierig naar? Want nieuwsgierigheid blijkt vaak nog springlevend, zelfs wanneer motivatie voor school volledig verdwenen is. De thuiszitter die uren programmeert, die alles weet over vliegtuigen, de gamer die zich verdiept in geopolitiek of zich verliest in geschiedenis, muziek, AI, sterrenkunde of ondernemerschap.
Veel ouders zeggen dan: ‘Ja, maar dat is geen school.’ Dat klopt. Maar het is vaak wel het begin van herstel. Veel volwassenen verwarren motivatie met nieuwsgierigheid. Zij wachten tot een jongere weer gemotiveerd raakt om vervolgens iets te gaan doen. In werkelijkheid werkt het vaak andersom. Eerst ontstaat nieuwsgierigheid. Daarna volgen energie, initiatief en uiteindelijk motivatie. Nieuwsgierigheid komt meestal vóór motivatie. Niet andersom. Daarom denk ik dat veel ouders en scholen de verkeerde volgorde hanteren. Ze zoeken eerst naar motivatie, schooldeelname of naar prestaties. Terwijl de echte vraag misschien luidt: waar gaan de ogen van dit kind van glimmen? Daar begint beweging. Niet bij leerplicht. Niet bij een handelingsplan. Niet bij nog een test. Maar bij een vraag, een project, een fascinatie of een idee.
Van verklaring naar toekomst
De meeste vooruitgang die ik heb gezien begon niet met een perfecte school. Ook niet met de perfecte coach. Maar met iets veel kleiners. Een project. Een boek schrijven. Software bouwen. Een podcast maken. Een onderzoek uitvoeren. Een probleem oplossen. Iets creëren dat er gisteren nog niet was. Op dat moment gebeurt er iets belangrijks. Een jongere ontdekt weer dat hij invloed heeft. Je kunt iets, je komt vooruit en je beweegt ergens naartoe.
Misschien is dat uiteindelijk ook de rol van onderwijs. Niet alleen kennis overdragen of uitdaging bieden, maar het beschermen van nieuwsgierigheid. Het ontwikkelen en richting geven aan deze nieuwsgierigheid. Een goede school helpt leerlingen niet alleen antwoorden vinden. Zij helpt leerlingen ontdekken welke vragen de moeite waard zijn om te onderzoeken. Dat is ook wat wij bij Mandeville proberen te doen. Niet door hoogbegaafdheid te ontkennen. Integendeel. Veel van onze studenten behoorlijk veel snuggernootjes gegeten. Maar we proberen het gesprek zo snel mogelijk te verleggen. Niet zozeer over waarom iemand is vastgelopen, maar naar de nieuwsgierigheidsvraag. Van ‘Wie begrijpt mij niet?’ naar ‘Welke bijdrage wil ik leveren?’ Van: ‘Wat is mijn label?’ naar ‘Wat ga ik doen met mijn uitzonderlijk potentieel’? Want uiteindelijk wordt niemand niet gevormd door de kwaliteit van zijn labels, maar door de keuzes. Hoogbegaafdheid kan helpen verklaren waar iemand vandaan komt. Uitzonderlijk potentieel gaat over waar iemand naartoe kan.
Harry Veenendaal
Het klinkt zo best gemakkelijk maar daar komt zoveel bij kijken… Welke richting ga je op als je zoveel potentieel hèbt en zoveel leuk vindt en mogelijkheden en dus keuzes hebt? Als je de draad oppakt bij de behoefte van het moment kom je aardig op weg daarmee en stap je van daaruit verder en voedt je de wilskracht en dus de motivatie. De psycho educatie volgt in gelijke tred en is geen apart programma op zich… Veel valkuilen spelen geen rol als een kind er niet over struikelt. Het heeft dan ook geen enkele zin daarover info te geven. Hoe verwerken jullie, als je het al doet, psycho educatie in het traject?
Wij hebben in het verleden behoorlijk was HB-coaches gehad ‘omdat dat hoorde’. Maar de feedback van de studenten was louter negatief. Wij stellen duidelijk dat we geen zorginstelling zijn. We constateren een bepaald ritme in het jaar. In december, we zijn dan drie maanden bezig, krijg ik telefoontjes van ouders ‘wat hebben jullie met mijn kind gedaan?’. In positieve zin, welteverstaan. Begrijpelijk. Studenten gaan voor het eerst op kamers, verpozen onder peers, krijgen onderwijs op hun niveau en – heel belangrijk – het zijn voor 95% gewoon pubers met alles wat daarbij hoort. In januari/februari komt de dip. Kerst is voorbij, vroeg donker, deadlines etc. Dan komen de demonen. Prima, hoort erbij. Vanaf maart/april gaat de zon weer schijnen en rollen ze naar het einde jaar. Wat we doen aan psycho educatie? We kennen het vak Presence (van eerste ontmoeting tot blijvende invloed). Dit vak gaat over hoe je je min of meer staande houdt in deze wereld. Daarnaast kennen we Zendeville. Het is makkelijker om diep te denken als je daarvoor alle aandacht hebt. We hebben Miss Moneypenny, onze oma die het e.e.a van de wereld heeft gezien. Zij drinkt iedere week thee. Kijk, onze studenten balanceren tussen puberteit naar volwassenheid. En voor sommige HB’ers is dat ietwat intensers. Wat helpt is dat 90% van onze +100 gastdocenten allen in min of meerdere mate in dezelfde situatie hebben gezeten. Wederom ‘peers’. Maar het belangrijkste is dat we hen rust, ruimte, richting en focus geven. En……………………., geloof t of niet, maar ieder jaar hebben we 2 of 3 uitvallers die besluiten tijdens Mandeville hun eindexamen alsnog te doen (staatsexamens). Daar maken we dan ruimte voor. Afgelopen jaar hebben 2 studenten hun VWO examen gehaald. Imagine that. Maar goed, ik tik te lang. Cheers, Harry
De eerste fout is het onderwijs opleidingen . Opleidingen voor h B is er te weinig of niet . Elke gewone school moet een klas voor hb leerlingen hebben ..
Er zijn nog te veel hb zonder diploma .er worden te veel hb kinderen geweigerd op de hb scholen . Er zitten te veel hb kinderen thuis met een trauma . Als ze daar nu eens aandacht aan besteden .
Mooie uiteenzetting, goed verhaal en waarschijnlijk een prima aanpak.
Maar waar blijft de normale maatschappelijke betrokkenheid in dit verhaal?
Als ik naar het curriculum bij Mandeville kijk, is de reguliere maatschappelijke betrokkenheid essentieel. Dat uit zich in bijvoorbeeld projecten voor Gouda, maar ook in de keuze welke cold cases we behandelen. Iedereen wil graag de bekende zaken onderzoeken. Mandeville kiest de dossiers van slachtoffers die niet goed in het nieuws passen. Vaak ouderen, vrouwen zonder identiteit, zwervers. Maar ook boodschappen doen voor een aantal ouderen in de omgeving van Mandeville. Daarnaast debatteren ze zo’n beetje over alles wat onder de definitie van maatschappelijke betrokkenheid valt. Om jezelf staande te houden in deze maatschappij, moet je deze wel kennen. Dat is, in zekere zin, de essentie van het curriculum van Mandeville. En wat wij doen is niet zo bijzonder. Met een beetje goede wil, kan iedere school dit inrichten. Hartelijks, Harry Veenendaal