Of hoe Nederland ooit uitzonderlijk potentieel ontdekte zonder IQ-testen, Delphi-modellen of plusklassen.
Rond 1900 bestond geen discussie over hoogbegaafdheid. Het begrip bestond eenvoudigweg niet. Er waren geen gespecialiseerde coaches, IQ-testen, plusklassen of Delphi-modellen. Niettemin wist men uitzonderlijk talent vaak verrassend goed te herkennen. Hoe dan?
Een jochie uit Haarlem
Neem Leo Beaufort. Geboren in 1890 in een arm gezin in Haarlem. Hij zou later uitgroeien tot hoogleraar, politicus, medegrondlegger namens Nederland van de Verenigde Naties en een van de architecten van het individuele klachtrecht. Leo werd niet ontdekt door een psycholoog, een mensatest of een expertisecentrum. Neen. Leo werd ontdekt door de pastoor. Deze franciscaan zag iets bijzonders in een jongen die verder weinig kansen leek te hebben. Vervolgens werd geregeld dat Leo naar de Latijnse School in Megen kon gaan. Het is niet zo bijster interessant dat Beaufort talent had. Immers, Nederland zat rond 1900 vol met talentvolle kinderen. Het bijzondere is dat een volwassene verantwoordelijkheid nam voor dat talent. Misschien zit daar het grootste verschil met vandaag. Tegenwoordig zijn we geneigd naar de identiteit te kijken terwijl rond 1900 voornamelijk naar potentieel werd gekeken.
Verzuiling als talentenmachine
Paradoxaal genoeg speelde juist de verzuiling daarin een belangrijke rol. De katholieke, protestantse, socialistische en liberale zuilen waren het over vrijwel niets eens. Behalve over één ding: talent mocht niet verloren gaan. Iedere zuil beschikte over eigen scholen, fondsen, netwerken, weldoeners, geestelijken, leraren en bestuurders. Daardoor ontstonden overal in het land mensen die talent herkenden en bereid waren daarvoor hun nek uit te steken. Een slimme katholieke jongen kon via een pastoor op een Latijnse School terechtkomen. Een begaafde protestantse leerling werd geholpen door een dominee of onderwijzer. Een talent uit een arbeidsgezin kon via een beurs of lokale weldoener doorstromen naar verder onderwijs. Het ging niet over hoogbegaafdheid, maar over aanleg.
Niet alleen in Nederland
Hetzelfde patroon zien we buiten Nederland. Aardig voorbeeld is Michael Faraday. Hij groeide op als zoon van een arme smid in Engeland. Zijn formele opleiding was beperkt. Als leerling-boekbinder las hij de boeken die hij moest inbinden. Uiteindelijk zag de beroemde chemicus Humphry Davy zijn talent en gaf hem een kans. Faraday groeide uit tot een van de invloedrijkste natuurkundigen uit de geschiedenis. Of neem Srinivasa Ramanujan die grotendeels op eigen kracht wekte aan ingewikkelde wiskundige vraagstukken. Zijn talent werd uiteindelijk herkend door de Britse wiskundige G.H. Hardy, die hem naar Cambridge haalde. Ook hier zie je hetzelfde mechanisme. Geen test, geen profiel, geen label, maar een oplettende volwassene die potentieel zag.
Aletta Jacobs en anderen
Ook bij veel bekende Nederlanders uit die periode zien we hetzelfde patroon. Neem Aletta Jacobs. Zij werd niet beroemd omdat iemand haar hoogbegaafd noemde, maar omdat ze een kans kreeg toen haar talent werd gezien. Vrouwen hadden indertijd sowieso nauwelijks toegang tot universitair onderwijs. Maar dat hield haar niet tegen. Ze schreef een brief aan Thorbecke en uiteindelijk kreeg ze toestemming om geneeskunde te studeren en werd de eerste vrouwelijke arts van Nederland.
Hetzelfde zien we bij Johanna Westerdijk, de eerste vrouwelijke hoogleraar van Nederland. In een tijd waarin wetenschap grotendeels een mannenwereld was, kreeg zij de ruimte om haar intellectuele talent te ontwikkelen en internationaal naam te maken. En zo kunnen we een lange lijst van namen noemen zoals Hendrik Lorentz, Johan Huizinga of Anton Philips. Potentieel was interessant omdat het ergens naartoe kon leiden, niet omdat het een identiteit vormde.
Geen misverstand
De huidige aandacht voor psychologie, onderwijs en HB-kernmerken heeft HB’ers enorm veel goeds gebracht. Kinderen die vroeger over het hoofd werden gezien, krijgen erkenning. Ouders vinden een klankbord en begrip voor ervaringen die zij herkennen en meemaken. Docenten krijgen meer oog voor de leerling achter de prestaties. Maar de vraag is gerechtvaardigd of we onderweg ook iets zijn kwijtgeraakt.
Van potentieel naar identiteit
In eerdere Mandeville Perspectieven stelde ik al de vraag of wij hoogbegaafdheid langzaam hebben veranderd van een cognitief begrip in een identiteitsbegrip. Nu snap ik dat ik met grote laarzen door de geschiedenis banjer, maar toch beklijft de vraag waarom rond 1900 vooral aandacht was voor de ontwikkeling van talent en minder voor de identiteit achter of diagnose van het talent. Erkenning van talent betekende destijds een verantwoordelijkheid. Niet alleen voor het kind, maar ook voor de gemeenschap. Een talentvol kind veranderde daarmee niet alleen het eigen leven, maar dat van een hele familie. Onderwijs werd gezien als een investering, niet als een profiel.
Dat is in mijn optiek de vraag die we vandaag opnieuw moeten stellen. Niet zozeer welke vinkjes bij een profiel passen, maar welk talent dreigt verloren te gaan. Rond 1900 was dat de vraag van de schoolmeester, dominee en de pastoor. Misschien moet dit ook weer onze vraag worden. Wie is de moderne pastoor, dominee of onderwijzer? Niet alleen de HB-coach, docent of ouders. Maar breder. Bedrijven, organisaties, gemeenten, familie, buren, vrienden of een toevallige passant. De functie veranderd, de opdracht niet. Want uiteindelijk is de belangrijkste vraag niet of iemand hoogbegaafd is. De belangrijkste vraag is wat er gebeurt wanneer uitzonderlijk potentieel wordt herkend. En wat wij vervolgens besluiten ermee te doen. Men zegt wel eens ‘it takes a village to raise a child’. Ik zeg: ‘it takes a village to recognize a child’.
Harry Veenendaal | Eindbaas Mandeville