Of hebben we hoogbegaafdheid gaandeweg veranderd van een cognitief begrip in een identiteitsbegrip?
Wie enige tijd meeloopt in de Nederlandse wereld van hoogbegaafdheid krijgt soms een opmerkelijk gevoel. Alsof hoogbegaafden niet alleen slimmer zijn, maar ook anders. U kent de kwalificaties inmiddels: gevoeliger, intenser, creatiever, rechtvaardiger, autonomer, overprikkelbaarder etc. Bekruipt u nooit het gevoel dat we het niet langer over intelligentie hebben, maar over een aparte mensensoort? Dat is geen cynisme, maar een oprechte vraag. Want hoe langer ik naar het Nederlandse debat kijk, hoe meer ik mij afvraag of wij hoogbegaafdheid gaandeweg hebben veranderd van een cognitief begrip in een identiteitsbegrip.
Duitsland: Hochbegabung
In Duitsland spreekt men meestal over Hochbegabung. Vrij vertaald: hoge begaafdheid. De Duitse discussie is opvallend pragmatisch. De centrale vragen zijn vaak hoe je talent herkent, welke leerlingen extra uitdaging nodig hebben, hoe men onderpresteren voorkomt en op welke wijze potentieel wordt ontwikkeld. Natuurlijk wordt daarbij aandacht besteed aan sociaal-emotionele ontwikkeling. Maar veel minder vaak gaat het debat over dat hoogbegaafden gevoeliger, rechtvaardiger etc. zijn. De Duitse traditie kijkt vooral naar talentontwikkeling en onderwijs en minder naar identiteit.
Amerika: talent development
Ook in de Verenigde Staten loopt de discussie anders. Daar bestaat een uitgebreide literatuur over giftedness, twice exceptionality, perfectionisme en onderpresteren. Maar uiteindelijk keert de discussie vaak terug naar één vraag: hoe ontwikkelen we talent?
De onderliggende gedachte is eenvoudig. Interessant dat je slim bent, maar wat doe je ermee? Giftedness wordt daar veelal gezien als potentieel dat zichtbaar moet worden in onderzoek, ondernemerschap, wetenschap, kunst, innovatie of leiderschap. Niet als een complete beschrijving van wie iemand is.
Engeland: opvallend nuchter
Misschien nog opvallender is Engeland. Daar lijkt de discussie relatief nuchter te zijn gebleven. De aandacht gaat vaker uit naar uitdaging, kansen, onderwijskwaliteit en sociale mobiliteit. Veel minder naar de vraag of hoogbegaafden fundamenteel anders zijn dan andere mensen. Het debat gaat vaker over onderwijs dan over identiteit.
Nederland: een totaalpakket
Nederland heeft een andere route genomen. Hier lijkt hoogbegaafdheid steeds vaker te worden opgevat als een combinatie van intelligentie, persoonlijkheid, gevoeligheid, sociale ervaring, autonomie, creativiteit, perfectionisme, existentiële beleving en rechtvaardigheidsgevoel. Daardoor is hoogbegaafdheid voor veel mensen meer geworden dan een cognitieve eigenschap. Het is bijna een complete beschrijving van een mens.
Kieboom, Delphi en Bakx
Deze ontwikkeling is niet uit de lucht komen vallen. In Nederland en Vlaanderen hebben de modellen van Tessa Kieboom, het Delphi-model en bijvoorbeeld het invloedrijke werk van Anouke Bakx veel invloed gehad op hoe over hoogbegaafdheid wordt gedacht. Daardoor verschoof de aandacht van louter intelligentie naar een breder geheel van kenmerken en ervaringen. Dat heeft enorm veel goeds gebracht. Ouders kregen taal voor ervaringen die zij wel waarnamen, maar niet konden benoemen. Docenten leerden dat hoogbegaafde leerlingen niet automatisch de hoogste cijfers halen. Scholen gingen meer aandacht besteden aan welzijn en sociaal-emotionele ontwikkeling. En voor veel kinderen en volwassenen betekende dit erkenning. En erkenning doet ertoe. Soms zelfs meer dan een IQ-score. Maar ergens ontstaat ook een interessante vraag. Zijn dit kenmerken die vaak voorkomen bij hoogbegaafden? Of zijn dit kenmerken van hoogbegaafdheid zelf? Dit lijkt een klein verschil, maar is niettemin wezenlijk.
Wat Nederland goed doet
Geen misverstand: Nederland doet iets bijzonder goed in vergelijking met Duitsland, Engeland en de US. Wij hebben veel aandacht voor thuiszitters, psychologisch welzijn, passend onderwijs, de ervaring van anders-zijn en sociaal-emotionele ontwikkeling. Dat zijn superbelangrijke onderwerpen. Een uitsluitend op prestaties gerichte benadering mist vaak het mens achter het talent. Op dat punt hebben Duitsland, Engeland en Amerika ook iets van ons te leren.
Wat Nederland minder goed doet
Tegelijkertijd vraag ik mij af of wij soms te ver zijn doorgeschoten. Zodra een beschrijving vaak genoeg wordt herhaald, verandert zij langzaam in een definitie. Dan verschuift de vraag ongemerkt van ‘sommige hoogbegaafden zijn gevoelig’, naar ‘hoogbegaafden zijn gevoelig’. Van ‘sommige hoogbegaafden zijn perfectionistisch’ naar ‘hoogbegaafden zijn perfectionistisch’. En tenslotte van ‘sommige hoogbegaafden stellen existentiële vragen’ naar ‘existentiële vragen horen bij hoogbegaafdheid’. Dat lijkt een subtiel verschil. Maar de gevolgen zijn fundamenteel. Op dat moment beschrijven we niet langer een groep mensen. We creëren een identiteit. Misschien is dat precies wat een deel van de huidige discussie zo ingewikkeld maakt. We spreken niet langer alleen over intelligentie, maar steeds vaker over wie iemand is.
Het lot van veel identiteitsbewegingen
Misschien is dit overigens niet uniek voor hoogbegaafdheid. Iets vergelijkbaars zagen we eerder bij autisme. Wat begon als een poging om mensen beter te begrijpen en serieus te nemen, ontwikkelde zich op sommige plekken tot een identiteitsbegrip. De discussie verschoof van ‘hoe werkt autisme?’ naar ‘wie ben ik als autist?’ Ook bij introversie gebeurde iets vergelijkbaars. Wat begon als erkenning voor een persoonlijkheidskenmerk, groeide op sommige plekken uit tot een bredere identiteit waarmee steeds meer ervaringen werden verklaard. Dat is op zichzelf niet verkeerd. Integendeel. Erkenning is vaak de noodzakelijke eerste stap. Maar daarin schuilt ook een algemeen risico. Iedere emancipatiebeweging loopt het risico zichzelf op te sluiten in de identiteit waarmee zij begon. Wat begint als een poging om mensen beter te begrijpen, kan ongemerkt veranderen in een nieuwe manier om mensen te definiëren. Misschien moeten we daarom alert blijven op de vraag of een identiteit helpt om onszelf beter te begrijpen? Of begint diezelfde identiteit onze blik op onszelf juist te beperken?
Van cognitief begrip naar identiteitsbegrip?
Misschien is dit wel de centrale vraag. Hoogbegaafdheid werd oorspronkelijk gebruikt om uitzonderlijke cognitieve vermogens te beschrijven. Vandaag de dag lijkt het debat steeds vaker te gaan over persoonlijkheid, levensgevoel, sociale ervaringen, gevoeligheid en zingeving. Hebben wij hoogbegaafdheid daarmee langzaam veranderd van een cognitief begrip in een identiteitsbegrip? Ik weet het niet. Maar ik denk wel dat die vraag gesteld mag worden. Want zodra hoogbegaafdheid een identiteit wordt, ontstaat onbedoeld een nieuwe werkelijkheid. Dan worden eigenschappen als overprikkeling, eenzaamheid, perfectionisme, vastlopen en niet begrepen worden onderdeel van het verhaal van hoogbegaafdheid. Soms zelfs bewijs ervan. Niet omdat die ervaringen niet bestaan. Maar omdat het risico ontstaat dat problemen worden gezien als bevestiging van de identiteit.
Een zuiverder debat
Misschien kunnen we van alle vier de landen iets leren. Van Duitsland dat talent ontwikkeld moet worden. Van Amerika dat potentieel pas interessant is wanneer het zichtbaar wordt. Van Engeland dat niet alles een identiteitsvraagstuk hoeft te worden. En van Nederland dat welzijn en erkenning ertoe doen.
Wanneer wij hoogbegaafdheid vooral als identiteit beschouwen, ontstaat al snel de vraag wie je bent. Wanneer wij hoogbegaafdheid vooral als potentieel beschouwen, ontstaat de vraag wat je ermee gaat doen. Identiteit vraagt om begrip en erkenning. Potentieel vraagt om ontwikkeling en richting. Misschien is dat uiteindelijk de belangrijkste les. De interessantste vraag is misschien niet hoeveel kenmerken van hoogbegaafdheid je bij jezelf herkent, maar wat ga je gaat doen met de mogelijkheden die je hebt gekregen?
Want hoogbegaafden zijn geen aparte mensensoort. Het zijn mensen met talenten, tekortkomingen, sterke kanten en kwetsbaarheden. Net als alle andere mensen. Alleen beschikken sommigen over een uitzonderlijk cognitief potentieel. En misschien is het juist dat potentieel, en niet de identiteit eromheen, dat onze aandacht verdient.
Niet minder. Maar ook niet meer.
Harry Veenendaal | Eindbaas Mandeville Academy
Uiteindelijk is de vraag of en in welke mate de identiteitskenmerken beperkend of stimulerend zijn voor het ontwikkelen van dat potentieel. Het feit dat daar in het Nederlandse onderwijs oog voor is/zou moeten zijn maakt voor mij dat ze hand in hand gaan. Helaas is dit in het inclusieve primair onderwijs soms nog wel uitdagend voor ondersteuners en leerkrachten.